
Liever kijken dan lezen? Bekijk de explainer met voice-over — daarna lees je hieronder het volledige plan.
Het Baarnsch Lyceum is een school met karakter. Een school die al meer dan een eeuw geworteld is in Baarn, die leerlingen kent bij naam en waar leraren betrokken zijn bij wie zij voor zich hebben. Dat is een kracht die we koesteren. Niet omdat traditie op zichzelf waardevol is, maar omdat zij ons helpt te begrijpen wie we zijn, waar we vandaan komen en wat we belangrijk vinden.
Dit schoolplan beschrijft waar wij ons de komende vier jaar op richten. Het is het resultaat van gesprekken binnen de hele schoolgemeenschap. Medewerkers, leerlingen en ouders hebben met elkaar verkend wat goed gaat, wat beter kan en welke ambities passen bij het Baarnsch Lyceum. Uit die gesprekken kwam een gedeeld beeld naar voren van een school die haar sterke kanten wil behouden en tegelijkertijd wil blijven leren en ontwikkelen.
Dit schoolplan is bedoeld als een kompas. Een kompas geeft richting, maar schrijft geen route voor. Wie vaart, weet dat een schip zelden een rechte lijn volgt. Wind, stroming en weersomstandigheden kunnen ertoe leiden dat onderweg moet worden bijgestuurd. Soms moet een schipper zelfs tijdelijk een andere koers varen om uiteindelijk toch de haven te bereiken die hij voor ogen heeft. De bestemming blijft hetzelfde, ook als de route verandert.
Zo willen wij ook met dit schoolplan omgaan. Het geeft richting aan onze keuzes, zonder te pretenderen dat alle antwoorden al vastliggen. Onderwijs is geen rechte lijn. Nieuwe inzichten, veranderende omstandigheden en de behoeften van leerlingen kunnen vragen om aanpassingen onderweg. Dat betekent niet dat de bestemming verandert. Integendeel: juist omdat de richting helder is, kunnen we onderweg bewust keuzes maken.
Niet voor niets draagt dit plan de titel Volgehouden aandacht. Een koers uitzetten is het begin; die koers vasthouden — door wind en stroming heen, met oog voor onze leerlingen, voor elkaar en voor de kwaliteit van onze lessen — is wat een goede school onderscheidt. Niet voor even, maar voor de hele reis.
Daarbij laten wij ons niet leiden door iedere windvlaag. Het Baarnsch Lyceum is een school met een eigen geschiedenis, een eigen cultuur en een eigen opvatting over goed onderwijs. Wij luisteren naar wat er in de samenleving gebeurt en nemen nieuwe ontwikkelingen serieus, maar we worden geen speelbal van alle maatschappelijke trends. We zijn een eigenzinnige school. Niet omdat we verandering wantrouwen, maar omdat we vinden dat onderwijs meer vraagt dan het volgen van de waan van de dag.
Uit de gesprekken binnen de schoolgemeenschap komen vijf bouwstenen naar voren. Zij vormen samen de richting waarin wij ons de komende jaren willen ontwikkelen. Wat deze bouwstenen verbindt, is een gedeelde overtuiging: dat alles wat wij doen uiteindelijk ten dienste staat van goed onderwijs voor iedere leerling.
Leerlingen, ouders, vervolgonderwijs en inspectie beoordelen ons uiteindelijk niet op de kwaliteit van onze plannen, maar op de kwaliteit van het onderwijs dat wij iedere dag verzorgen. Daarom is dit schoolplan geen eindpunt, maar een uitnodiging. Een uitnodiging om samen te werken aan een school waarin kwaliteit ontstaat door aandacht, vakmanschap en voortdurende ontwikkeling.
Het kompas wijst de richting. De reis maken we samen.
In gesprekken binnen de hele schoolgemeenschap kwamen alle stemmen samen. Het resultaat is geen blauwdruk, maar een gedeelde richting.
We zijn een eigenzinnige school. Niet omdat we verandering wantrouwen, maar omdat we vinden dat onderwijs meer vraagt dan het volgen van de waan van de dag.Onno van Helden · Rector-Bestuurder a.i.
Ze lopen vier jaar parallel en versterken elkaar. Eén gedeeld doel verbindt ze: goed onderwijs voor elke leerling.
Havo, atheneum en gymnasium krijgen elk een eigen profiel en aanpak. De havo heeft de eerste prioriteit op resultaten en begeleiding.
LOB als doorlopende lijn klas 1 tot en met 6, mentoraat als structuur, decanen structureel verankerd en een leerlingvolgsysteem dat tot handelen leidt.
Een jaarkalender die rust biedt, lesuitval als kwaliteitsvraagstuk en ruimte voor het gesprek over onderwijs.
Bij elke activiteit de vraag stellen of ze toevoegt wat niet op een andere manier kan. Activiteiten eerlijker verdelen tussen leerlingen en stromen.
Onze UNESCO-opdracht concreet maken in een doorlopende burgerschapsleerlijn, in digitale geletterdheid met AI als integraal onderdeel en in curriculumvernieuwing.
Het Baarnsch Lyceum is een van de vier oudste lycea van Nederland. Dat geeft ons karakter en trots. We zijn een school die leerlingen kent bij naam, waar leraren betrokken zijn en waar je als leerling ruimte hebt om jezelf te ontwikkelen. Die kracht willen we behouden en versterken.
Onze identiteit rust op drie kernwaarden die in het vorige strategische beleidsplan zijn vastgesteld en die we ook voor de komende vier jaar als fundament nemen:
Tussen mensen, tussen vakken en tussen de school en de wereld om ons heen. We investeren in relaties: tussen leerlingen onderling, tussen leerling en leraar en tussen collega's.
De nieuwsgierigheid om vragen te stellen, te experimenteren en te groeien. Zowel leerlingen als medewerkers mogen hier een lerende omgeving verwachten.
Terugkijken op wat we doen en daar eerlijk van leren. Als school en als individu.
Als UNESCO-school hebben we een expliciete maatschappelijke opdracht: bijdragen aan democratisering, inclusie, duurzaamheid en wereldburgerschap. Dat is geen toevoeging aan onze identiteit. Het is de kern van wie we willen zijn.
Een schoolplan dat veel zegt over begeleiding, structuur en cultuur kan niet voorbijgaan aan het hart van de school: de les. Wij geven onderwijs in een omgeving waar leerlingen zich gezien, gekend en uitgedaagd voelen. Hoge verwachtingen gaan bij ons samen met persoonlijke aandacht en heldere begeleiding. Goed onderwijs begint bij vakbekwame leraren die structuur bieden, heldere leerdoelen formuleren en actief zicht houden op de ontwikkeling van leerlingen. In de les staan rust, duidelijkheid en betrokkenheid centraal.
Wij stimuleren leerlingen om verantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen ontwikkeling en bieden daarbij de ondersteuning die zij nodig hebben. Zelfstandigheid groeit vanuit een stevige basis van instructie, oefening en feedback. Onderwijs gaat voor ons niet alleen over het behalen van een diploma. Het gaat ook over persoonsvorming en maatschappelijke verantwoordelijkheid. De pedagogisch-didactische vertaling hiervan werken we de komende jaren verder uit.
Als iemand in 2030 onze school binnenloopt, herkent die persoon een les aan duidelijke structuur, hoge verwachtingen, actieve betrokkenheid van leerlingen, zichtbare leerwinst, een veilige leeromgeving en aandacht voor zowel prestaties als persoonsvorming. Buiten de les ziet die persoon een school waar leerlingen en leraren elkaar kennen en vertrouwen, waar elke leerling een heldere weg door de school heeft, waar collega's met elkaar over onderwijs praten en waar de school doet wat ze zegt. Zo bereiden wij leerlingen voor op vervolgonderwijs, samenleving en leven.
Het Baarnsch Lyceum biedt havo, atheneum en gymnasium. Dat zijn geen drie varianten van hetzelfde onderwijs. Het zijn drie volwaardige stromen, elk met een eigen leerling, eigen verwachtingen en een eigen aanpak die daarbij past.
De afgelopen jaren is te veel vanzelfsprekend aangenomen dat wat werkt voor vwo ook werkt voor havo en dat de drie stromen vanzelf hun plek vinden. Dat klopt niet. Het schoolplan kiest bewust voor drie stromen die elk de aandacht krijgen die ze verdienen.
De havo vraagt als eerste prioriteit onze aandacht. De examenresultaten laten een consistent achterblijven zien ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Dat is geen toevalligheid maar een signaal dat de havo-leerling te lang een ondergeschoven kindje is geweest in een school die van oudsher sterk vwo-georiënteerd is.
We pakken dit aan door voort te bouwen op wat er al goed is. In de bovenbouw draait het Praktijkgericht Programma (PGP) al twee jaar succesvol als keuze-examenvak. Dat is een bouwsteen die we doorontwikkelen en stevig verankeren. In de onderbouw zijn we ooit gestart als havisten-competente school. Die lijn is weggezakt. We herstellen haar en verbinden haar met de bovenbouw, zodat de havo-leerling een doorgaande lijn ervaart van klas 1 tot en met het examen.
Concreet betekent dit: onderwijs dat aansluit bij de manier waarop havo-leerlingen leren, begeleiding die vroegtijdig signaleert en intervenieert en activiteiten die ook voor havo-leerlingen toegankelijk en relevant zijn.
Het atheneum is de grootste stroom en presteert relatief dicht bij het landelijk gemiddelde. Het atheneum kent een eigen kracht: de breedte van het profiel, de verbinding tussen alfa- en bètavakken en de leerling die bewust kiest voor een brede academische voorbereiding. Het is de leerling die meer breedte zoekt dan het gymnasium vraagt en meer diepgang dan de havo biedt. Onze ambitie is dat het atheneum een stroom is waar leerlingen uitgedaagd worden op het niveau dat bij hen past, waar leraren samen optrekken in secties en waar de doorstroom naar het vervolgonderwijs soepel verloopt. De komende vier jaar werken we aan de verbinding tussen alfa- en bètavakken in het curriculum, zodat de breedte van het atheneum-profiel ook in de praktijk voelbaar wordt. In 2030 herkent een atheneumleerling zich in een stroom met een herkenbare academische voorbereiding, sterke vaksecties en een doorstroom naar het wetenschappelijk onderwijs die past bij wat de school belooft.
Het gymnasium heeft een eigen identiteit en een eigen leerling die bewust voor deze opleiding kiest. De aanmeldingsaantallen vragen om aandacht: we willen het gymnasium als herkenbare en aantrekkelijke stroom positioneren, zowel intern als naar de regio. De komende vier jaar werken we aan een helder profiel dat zichtbaar maakt wat het gymnasium van onze school te bieden heeft. Daarbij investeren we in de klassieke vorming als onderscheidende kern en in de verbinding tussen klassieke talen, cultuur en hedendaagse maatschappelijke vragen. In 2030 staat het gymnasium bekend als een stroom met intellectuele ambitie en een eigen culturele signatuur, waarvoor leerlingen uit de hele regio bewust kiezen.
Wat alle drie de stromen bindt is de overtuiging dat elke leerling op het eigen niveau een diploma kan halen als de school daarvoor de juiste voorwaarden schept.
Een leerling die zich gezien voelt, leert beter. Begeleiding is een belofte aan elke leerling die hier zit.
Een leerling die zich gezien voelt, leert beter. En dat is precies waar dit schoolplan iets aan moet doen: of een leerling van Het Baarnsch Lyceum zich gezien voelt, hangt nu te vaak af van wie zijn mentor is. De ene leerling treft een betrokken mentor die hem ziet en bijstuurt waar nodig. De andere leerling treft iemand die de gesprekken houdt omdat het moet en zonder echt contact. Dat is niet de school die we willen zijn. Begeleiding is geen toevalsproduct. Het is een belofte aan elke leerling die hier zit.
We maken begeleiding daarom tot een structuur. Dat klinkt ambtelijk, maar betekent iets concreets: een leerling moet dezelfde kwaliteit van begeleiding kunnen verwachten, ongeacht welke mentor of decaan hij of zij treft. Persoonlijke betrokkenheid blijft de basis. Maar we laten haar niet langer de enige garantie zijn.
Loopbaanoriëntatie en -begeleiding begint nu te laat, vaak pas in de derde klas. Tegen die tijd hebben leerlingen al keuzes gemaakt zonder dat ze hebben geleerd hoe je dat doet: wie ben je, wat kun je, wat trekt je? We laten LOB eerder beginnen en geven het een herkenbare plek in alle leerjaren. Juist in de bovenbouw, waar de begeleiding nu individueler wordt en mentorafhankelijker, zorgen we voor een doorlopend programma dat onafhankelijk is van wie er voor de klas staat.
De decanen krijgen in dit programma een structurele plek. Niet als aanvulling op het mentoraat, maar als vast onderdeel van de manier waarop we leerlingen door hun schoolloopbaan begeleiden.
Het mentoraat krijgt een schoolbreed kader. Welke gesprekken een mentor voert, wanneer en met welke inhoud: dat leggen we vast op een manier die ruimte laat voor de stijl van de mentor, maar dezelfde basis garandeert voor elke leerling. De overdracht tussen leerjaren wordt onderdeel van die structuur. Een leerling die het moeilijk had in klas 3 begint niet opnieuw in klas 4 omdat de nieuwe mentor het niet wist.
We volgen leerlingen systematischer in hun ontwikkeling. Een leerlingvolgsysteem heeft alleen waarde als er afspraken zijn over wat we ermee doen. Wanneer grijpen we in, op basis van welke signalen, wie is daarbij betrokken en wie heeft welke verantwoordelijkheid? Dat zijn de vragen die het volgsysteem moet beantwoorden, niet alleen het registreren zelf. We werken in het eerste jaar aan heldere criteria voor interventie.
Begeleiding gaat niet alleen over individuele leerlingen die achterblijven. Het gaat ook over diversiteit: over wat we doen met verschil in de klas. Een leerling die anders leert, anders is of een ander tempo heeft, hoort net zo goed bij onze school als de leerling voor wie alles vanzelf gaat. We zien diversiteit en inclusief gezamenlijk leren als een collectieve waarde, niet als een opgave voor enkele individuen. Hoe we onze positie op diversiteit en inclusief onderwijs precies vormgeven, bepalen we in het eerste jaar van dit schoolplan, in afstemming met het samenwerkingsverband en de regionale ontwikkelingen.
Begeleiding stopt niet bij de schoolpoort. Ouders zijn voor ons partners in de ontwikkeling van hun kind. De vragenlijst onder 104 ouders eerder dit jaar liet zien dat zij scherp meedenken en betrokken zijn bij wat hier gebeurt. We benutten die betrokkenheid actiever: in het mentoraat, in de communicatie rond resultaten en welbevinden en in de momenten waarop we als school keuzes voorleggen. Goede begeleiding van een leerling vraagt om een driehoek tussen school, leerling en thuis die in balans is.
Er gebeurt te veel tegelijk in onze school. Niet omdat we slechte dingen doen, maar omdat we te veel goede dingen tegelijk doen. En dat gaat ten koste van kwaliteit, concentratie en welbevinden. Het is een patroon dat we de komende jaren bewust doorbreken.
Dit hoofdstuk gaat niet over minder ambitie. Het gaat over de voorwaarden waaronder ambitie geloofwaardig wordt. Een school die rustig en gestructureerd werkt, kan beter onderwijs geven dan een school die voortdurend springt van het ene initiatief naar het andere. Rust is geen luxe. Het is de bodem waarop alles wat we willen bereiken kan groeien.
We maken een jaarkalender met heldere periodes van rust en concentratie. Activiteiten worden geclusterd, niet over het hele jaar uitgesmeerd. Toetsweken krijgen ruimte zonder dat er parallel andere grote programma's lopen. Een lesperiode is een lesperiode. Die laten we niet doorlopend onderbreken door uitzonderingen.
Lesuitval is een van de meest gehoorde signalen in alle vier de gesprekken. Ouders noemen het als eerste verbeterpunt. Leerlingen ervaren het als iets dat als onvermijdelijk wordt geaccepteerd, terwijl zij de gevolgen dragen: achterstanden, late mededelingen, gemiste instructie. Dat veranderen we.
We behandelen lesuitval niet langer als iets wat er nu eenmaal bijhoort, maar als een kwaliteitsvraagstuk. Dat betekent dat we kijken naar de oorzaken (planning, ziekte, formatie), naar de communicatie (wanneer hoort een leerling dat een les uitvalt en hoe) en naar de opvang (wat doen we als een les uitvalt, naast niets). Dit is een onderwerp dat in jaar 1 een vaste plek krijgt op de agenda, met een verantwoordelijke en met meetbare doelen.
Teamoverleg is nu te vaak operationeel: roosters, mededelingen, organisatie. Wat we missen is de inhoud. Het gesprek over wat we waarnemen bij leerlingen, over wat werkt in onze lessen en wat niet, over wat we van elkaar kunnen leren. Dat gesprek krijgt in deze planperiode een vaste plek. We maken een compacter vergadermodel waarin de inhoudelijke ruimte structureel geborgd is. Dit is ook de plek waar het gesprek over leskwaliteit zijn vaste plek krijgt, verankerd in onze professionele normen en in de pedagogisch-didactische verwachtingen die we van elkaar hebben.
De komende vier jaar maken we scherpere keuzes in wat we aanbieden. Niet omdat we minder ambitie hebben, maar omdat we het bestaande aanbod eerlijker willen verdelen en kwalitatief willen versterken.
Voor de duidelijkheid: zolang het fundament niet stevig staat, komen er geen nieuwe extracurriculaire activiteiten bij. Wettelijke opdrachten zoals basisvaardigheden, digitale geletterdheid, burgerschap en inclusief onderwijs vallen hier nadrukkelijk buiten. Die ontwikkelen we wel, omdat we ze als onderdeel van het onderwijs zelf zien, niet als activiteit eromheen.
Bij elke bestaande activiteit en bij elk voorstel voor iets nieuws stellen we voortaan dezelfde vraag: voegt dit iets toe aan leren of sfeer dat niet op een andere manier kan? Als het antwoord ja is, doen we het goed. Als het antwoord nee is, stoppen we ermee of we voegen het samen met iets anders. Deze vraag is geen administratieve toets. Hij is een houding die we van elkaar verwachten.
Activiteiten moeten voor alle leerlingen toegankelijk zijn. Daarmee bedoelen we niet alleen het wegnemen van financiële drempels. Het gaat ook om de vraag wie er feitelijk meedoet. Een select groepje leerlingen dat meerdere keren per jaar meegaat terwijl anderen nooit aan de beurt komen: dat past niet bij een school die inclusiviteit serieus neemt. Dezelfde vraag geldt tussen onze drie stromen. Activiteiten die in de praktijk vooral het vwo bedienen, herzien we zodat ook havo-leerlingen er volwaardig aan deelnemen.
Internationale activiteiten horen bij wie wij als school zijn. De uitwisselingen, reizen en projecten zijn waardevol. We kiezen voor minder activiteiten met meer kwaliteit en voor een opzet die voor leerlingen uit alle drie de stromen toegankelijk is.
De activiteitenweken zijn een goed instrument om vakoverstijgend te werken aan onze maatschappelijke opdracht. Ze moeten wel beter: thematisch helderder, organisatorisch sterker en inhoudelijk voor elke leerling relevant. We werken aan een opzet waarin de weken aansluiten op een doorlopende burgerschapsleerlijn die we in hoofdstuk 6 verder uitwerken.
Tradities geven de school karakter. Tegelijkertijd verdienen ze regelmatig een eerlijke blik op de vraag of ze nog passen bij wat we willen zijn. We bekijken onze tradities op inclusieve waarden. Niet om ze af te schaffen, maar om ze opnieuw aan onze school te verbinden op een manier die voor alle leerlingen recht doet.
Het Baarnsch Lyceum bereidt leerlingen niet alleen voor op een diploma. We bereiden ze voor op een leven in een wereld die snel verandert, complexer wordt en meer van burgers vraagt. Dat is geen abstract ideaal. Het is de kern van wie we als school willen zijn.
Als UNESCO-school hebben we een expliciete maatschappelijke opdracht. We dragen bij aan democratisering, inclusie, duurzaamheid en wereldburgerschap. Wat betekent dat concreet op Het Baarnsch Lyceum? Dat een leerling in de geschiedenisles ook de eigen positie in de wereld leert overdenken. Dat duurzaamheid niet alleen een projectweek is, maar terugkomt bij scheikunde, economie en aardrijkskunde. Dat de uitwisselingen die we organiseren bedoeld zijn om perspectieven te verbreden, niet om er een goede reis aan over te houden. En dat we als school zelf voorleven wat we van leerlingen vragen: een veilig klimaat, een open gesprek en de bereidheid om naar elkaar te luisteren.
Onze maatschappelijke opdracht krijgt vorm in een doorlopende burgerschapsleerlijn van klas 1 tot en met het examen. Niet als apart vak en niet alleen in de activiteitenweken, maar verweven in het curriculum. We werken in deze planperiode aan een leerlijn die inhoudelijk samenhangt, die vakoverstijgend is en die monitorbaar maakt of leerlingen werkelijk leren wat we beogen. De wettelijke verplichting (artikel 2.2b WVO 2020) vraagt om die samenhangende visie en uitwerking. We zien dat niet als plicht maar als kans om iets op te bouwen dat al lang bij ons hoort.
De wereld waarin onze leerlingen straks werken en leven is digitaal. We zien digitale geletterdheid daarom als een fundamentele vaardigheid: niet als technisch vakje, maar als manier van denken. Informatievaardigheden, mediawijsheid, verantwoord technologiegebruik en het werken met kunstmatige intelligentie horen daar allemaal bij. We benaderen AI niet als een afzonderlijk beleidsdomein, maar als onderdeel van het bredere thema digitale geletterdheid. In de komende vier jaar krijgt dit thema een stevige plek in het curriculum, met aandacht voor zowel de mogelijkheden als de risico's.
De landelijke curriculumvernieuwing komt op ons af. We zien dat niet als bedreiging maar als kans om samenhang aan te brengen tussen vakken, om toekomstgerichtheid te versterken en om de verbinding te leggen tussen wat leerlingen leren en de wereld waarin ze leven. Erfgoed, regionale context en maatschappelijke vraagstukken horen daarbij.
Inclusiviteit is een woord dat we makkelijk gebruiken, maar dat in de praktijk minder vanzelfsprekend is dan we soms denken. Sociale uitsluiting komt voor, niet elke leerling voelt zich even welkom en bepaalde groepen vinden gemakkelijker hun plek dan andere. Dat verschil tussen ideaal en dagelijkse ervaring willen we kleiner maken. Niet door af te rekenen, maar door in gesprek te blijven: we kijken systematisch hoe leerlingen onze school ervaren en sturen daar gericht op bij.
Onze identiteit als UNESCO-school is sterk. Wat we beloven aan leerlingen en aan de wereld om ons heen, moet ook kloppen met wat een leerling dagelijks in de klas ervaart. Daar zit op dit moment ruimte tussen. De komende vier jaar verkleinen we die. Niet door het verhaal aan te passen, maar door de praktijk eraan op te trekken.
Leraren, mentoren, decanen, onderwijsondersteunend personeel en schoolleiding zijn de drijvende kracht achter alles in dit plan.
Een schoolplan dat ambities formuleert over onderwijs en begeleiding kan niet zonder een hoofdstuk over de mensen die het waarmaken. Onze leraren, mentoren, decanen, onderwijsondersteunend personeel en schoolleiding zijn de drijvende kracht achter alles wat in dit plan staat. We investeren de komende vier jaar bewust in hen.
Op 9 juni 2026 hebben we tijdens een ontwikkelmiddag onze professionele normen herijkt. Daarbij hebben we onderscheid gemaakt tussen voorwaarden en normen. Voorwaardelijk is dat we niet over elkaar maar met elkaar spreken en dat we ons werk altijd in dienst stellen van goed onderwijs voor de leerling. Dat zijn geen normen maar de bodem onder ons werk. Daarop staan vijf professionele normen die richting geven aan hoe we met elkaar werken:
Concreet betekent dat: we zijn nieuwsgierig naar elkaars lessen, we leren van verschillen, we nemen verantwoordelijkheid voor het geheel en niet alleen voor onze eigen klas of sectie. De normen zijn geen vergeten document meer maar een levende afspraak die structureel terugkomt in team- en sectievergaderingen en in individuele gesprekken.
Deze normen vormen ook het uitgangspunt voor het gesprek over leskwaliteit. Wat verstaan we onder een goede les, hoe maken we dat bespreekbaar en hoe borgen we dat we hierop met en van elkaar blijven leren? Het gesprek over leskwaliteit is op dit moment nog niet diep gevoerd. Dat is een lacune die we de komende jaren willen sluiten. De professionele normen zijn het fundament. In jaar 1 maken we de vertaling naar de pedagogisch-didactische verwachtingen die we van elkaar hebben. Dat is geen klein gesprek, maar het is essentieel voor de kwaliteit van ons onderwijs.
De gesprekkencyclus is vastgelegd voor zowel medewerkers met een vaste aanstelling als medewerkers met een tijdelijk dienstverband, met functionerings- en beoordelingsgesprekken op heldere momenten. De cyclus is opgenomen in een HR-kalender en wordt ondersteund door het systeem eLoo/Boot. We hebben gemerkt dat de uitvoering het afgelopen jaar achterbleef door de onrustige periode rondom de wisseling van leidinggevenden. De conrectoren maken dit jaar een inhaalslag. De komende planperiode borgen we de cyclus structureel.
Professionele ontwikkeling krijgt richting en budget via de leidinggevende, met vastlegging en monitoring door HR. We investeren in een ontwikkelklimaat waarin medewerkers eigenaarschap voelen over hun groei. Daarbij geldt dat ontwikkeling geen privézaak is: ze hangt samen met wat de school als geheel nodig heeft. We verbinden de individuele ontwikkelvraag aan de schoolse ambities zoals beschreven in dit plan.
Het taakbeleid wordt herijkt door een werkgroep onder leiding van Jos te Marvelde, die in juni 2026 van start gaat. Doel is een taakbeleid dat als eerlijk en werkbaar wordt ervaren, dat ruimte biedt voor professionele ontwikkeling en dat past bij de fase waarin de school zich bevindt. De uitkomsten van deze werkgroep landen in jaar 1 van dit schoolplan.
Voor werving en selectie hanteren we een vastgesteld beleid, aangevuld met een toelichting op het bevorderingsbeleid waarin we scherper sturen op de inschaling van nieuwe medewerkers. Bij benoemingen zijn kwaliteit, geschiktheid en ervaring leidend.
Op dit moment bestaat de schoolleiding uit drie vrouwen en twee mannen. Vanaf 1 september 2026 wijzigt dit naar drie mannen en twee vrouwen; de invulling van de vacature van rector-bestuurder is op dit moment nog niet bekend. We streven actief naar een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in leidinggevende functies, waarbij kwaliteit, geschiktheid en ervaring leidend zijn. Bij werving voor leidinggevende posities richten we ons bewust op een brede kandidatenstroom, zodat zowel mannen als vrouwen zich aangesproken voelen om te solliciteren.
We hanteren het seniorenverlof zoals omschreven in de cao en daarbovenop een Generatiepact. Werkdruk is een thema dat door medewerkers nadrukkelijk wordt benoemd. We pakken het niet alleen aan via afzonderlijke regelingen, maar ook via de keuzes in dit plan: minder activiteiten tegelijk, betere structuur, inhoudelijk teamoverleg en een eerlijker taakbeleid. Werkdruk verminderen is geen losse maatregel maar een uitkomst van hoe we ons werk organiseren.
Een school die kwaliteit wil leveren, kan niet alleen leunen op het onderwijsproces. De ondersteunende organisatie moet net zo robuust zijn als de lessen. Op verschillende plekken in onze school zit kennis bij één persoon en zijn processen afhankelijk van individuele medewerkers. Dat maakt ons kwetsbaar. De komende vier jaar werken we aan kennisborging, aan continuïteit van processen en aan professionalisering van de ondersteunende diensten.
Waar samenwerking met andere scholen of partners bijdraagt aan kwaliteit, continuïteit of doelmatigheid, zoeken we die actief op. Dat geldt nadrukkelijk voor shared services op terreinen waar het zelfstandig organiseren ons kwetsbaar maakt. Niet alles hoeft centraal, maar wel daar waar het de school als geheel sterker maakt.
Het Baarnsch Lyceum hanteert een terughoudend en transparant sponsorbeleid. We werken binnen de kaders van het landelijke Sponsorconvenant voor het voortgezet onderwijs: sponsoring is incidenteel en bescheiden, heeft geen invloed op de inhoud van ons onderwijs, en persoonsgegevens van leerlingen worden nooit voor commerciële doeleinden gebruikt. Bij elke sponsorrelatie wegen we zorgvuldig af of deze past bij onze onderwijskundige en pedagogische doelstellingen. De medezeggenschapsraad heeft instemmingsrecht op het beleid en op concrete overeenkomsten. De uitgewerkte tekst staat in de schoolgids.
Een schoolplan zonder kwaliteitszorg is een wens. Met kwaliteitszorg wordt het een belofte. Dit hoofdstuk beschrijft hoe we de kwaliteit van ons onderwijs bewaken en hoe we bijsturen waar dat nodig is.
Het Baarnsch Lyceum werkt met twee kwaliteitscirkels die elkaar versterken: de PDCA-cyclus (Plan, Do, Check, Act) en de IMWR-cirkel (Inspireren, Mobiliseren, Waarderen, Reflecteren) van het Instituut Nederlandse Kwaliteit. Deze combinatie is een bewuste keuze. De PDCA-cyclus geeft richting, sturing en borging. De IMWR-cirkel zorgt dat we niet vervallen in afvinklijstjes maar werken vanuit professionele bezieling en gedeeld eigenaarschap.
We werken met een heldere driedeling van verantwoordelijkheden. Teams gaan over de pedagogiek: hoe we met leerlingen omgaan binnen onder-, havo boven- en vwo bovenbouw. Secties gaan over de didactiek: hoe we ons vak onderwijzen en wat we daarin van elkaar leren. Keuzedeelgroepen (KDG) pakken jaarlijks vast te stellen schoolbrede thema's op. Deze driedeling maakt verantwoordelijkheden zichtbaar en voorkomt dat alles bij iedereen ligt, wat in de praktijk vaak betekent dat het bij niemand ligt.
We versterken het zicht op de individuele leerling. Het leerlingvolgsysteem en de afspraken eromheen vormen de basis voor vroegtijdige signalering en gerichte interventie. We onderzoeken in deze planperiode de oprichting van een datateam dat kwaliteitsdata structureel beheert en toegankelijk maakt voor leraren. Niet om te sturen op cijfers alleen, maar om het gesprek over wat we zien te kunnen voeren op basis van wat we weten.
Voor het meten en monitoren maken we gebruik van bestaande instrumenten zoals CumLaude, Vensters voor Verantwoording, Diataal, eLoo, Boot en gegevens van CITO en DUO. Daar voegen we toe waar nodig en schrappen waar instrumenten elkaar overlappen.
Zes keer per jaar geeft de schoolleiding een update over de voortgang van de doelen uit het jaarplan via de StaVaZa (stand van zaken). Deze wordt besproken in MR en RvT en daarna gedeeld met alle medewerkers. Drie keer per jaar verantwoordt het bestuur zich aan MR en RvT op de niet of deels in de StaVaZa opgenomen domeinen: personeel en verzuim, ontwikkeling van de leerlingpopulatie, rendement en inspectie, examenresultaten, kwaliteit van het onderwijsproces, klachten en bezwaren, financiën en gespreksysteem. Aan het einde van het schooljaar reflecteren we als hele organisatie op wat het jaar heeft opgeleverd. Die reflectie vormt de basis voor het jaarplan van het komende schooljaar.
In 2024 kregen we van de inspectie een herstelopdracht op kwaliteitszorg. Die opdracht is in 2025 weggewerkt. De structuur die we daarvoor hebben opgebouwd, blijven we de komende vier jaar versterken en verfijnen.
Dit schoolplan beschrijft een richting voor vier jaar. Maar de toon ervan wordt gezet in het eerste jaar. En dat jaar gaat over organiseren, niet over uitvoeren. We creëren in jaar 1 de voorwaarden om de jaren daarna beter onderwijs te geven. Dat is geen vertraging, dat is de logische volgorde.
Voor de vijf bouwstenen kiezen we per onderwerp een passende, gedragen aanpak: soms een werkgroep, soms een andere vorm, en sommige zaken zijn al in gang gezet. Elk traject krijgt een heldere opdracht, een verantwoordelijke vanuit de schoolleiding en een tijdpad. Waar bouwstenen elkaar raken (en dat is op veel plekken), organiseren we het overleg om die verbindingen ook in de uitvoering te leggen. Daarnaast geldt dat er in jaar 1 geen nieuwe extracurriculaire activiteiten bijkomen. Die ruimte gebruiken we om het bestaande beter te organiseren: de jaarkalender, het vergadermodel, de begeleidingsstructuur, het taakbeleid en het gesprek over leskwaliteit. Wettelijke opdrachten ontwikkelen we wel, zoals in de eerdere hoofdstukken beschreven.
Naast de structuurkant ligt er een inhoudelijke opgave. We willen dat het gesprek over onderwijs een vaste plek krijgt: in teams, in secties en in individuele gesprekken. De ontwikkelmiddag rond de professionele normen in juni 2026 was een eerste stap. In jaar 1 maken we de vertaling naar de pedagogisch-didactische verwachtingen die we van elkaar hebben.
Een schoolplan is een document, maar het leeft alleen als we erover blijven praten. We communiceren in jaar 1 actief over de voortgang: naar medewerkers, naar de MR, naar leerlingen en naar ouders. Niet om te verantwoorden, maar om iedereen mee te nemen in wat we doen en waarom.
Wat hier staat, is geen blauwdruk. Het is een richting waarvan we de komende vier jaar samen ontdekken hoe ze werkt voor onze school. Dat ontdekken doen we niet vrijblijvend, maar wel met de bereidheid om bij te stellen wanneer de praktijk daarom vraagt. Het Baarnsch Lyceum is een school met meer dan een eeuw aan ervaring. Die ervaring leert ons dat goede scholen niet ontstaan door grote plannen, maar door volgehouden aandacht. Dat is wat we de komende vier jaar van elkaar vragen.
Goede scholen ontstaan niet door grote plannen, maar door volgehouden aandacht.Dat is wat we de komende vier jaar van elkaar vragen.